Hoe kwam je op het idee om je scriptie aan dit onderwerp te wijden?
"Voor mijn scriptie kon ik kiezen tussen de NT1- en de NT2-doelgroep. Dat vond ik best lastig. In eerste instantie dacht ik er zelfs over om allebei mee te nemen, maar dat bleek veel te breed. Uiteindelijk koos ik voor NT1-laaggeletterden, omdat deze doelgroep minder snel in aanraking komt met schrijvers en ook voor de Schrijverscentrale moeilijker te bereiken is. Bij NT2 gebeurt al veel op het gebied van taalontwikkeling en scholing. Juist bij NT1 zag ik een kans om nieuwe inzichten op te doen en mogelijk meer impact te maken."
Wat sprak je persoonlijk aan in de doelgroep NT1-laaggeletterden?
"Dat was eigenlijk een vervolg op die keuze. Toen ik me verder in het onderwerp verdiepte, ontdekte ik hoe groot deze doelgroep is. Veel groter dan ik vooraf dacht! Tegelijkertijd wist ik er zelf nog relatief weinig van. Dat maakte het juist interessant: er viel veel te leren en te ontdekken. Hoe meer ik me erin verdiepte, hoe meer ik besefte hoe onzichtbaar deze groep vaak is."
Voor je scriptie sprak je twaalf sociaal werkontwikkelbedrijven verspreid over heel Nederland. Welke vraag wilde je met dit onderzoek beantwoorden?
"De centrale vraag was hoe de Schrijverscentrale schrijversbezoeken kan positioneren binnen sociaal werkontwikkelbedrijven, zodat NT1-laaggeletterde werknemers op een inclusieve manier worden bereikt.
Daarvoor wilde ik eerst begrijpen hoe deze organisaties eigenlijk werken. Wat voor mensen zijn er werkzaam? Welke ontwikkelactiviteiten bieden ze al aan? Hoe kijken ze naar externe samenwerkingen? En hoe gaan ze om met laaggeletterdheid? Door dat allemaal in kaart te brengen, kon ik onderzoeken wat zij nodig hebben om schrijversbezoeken te organiseren en welke rol de Schrijverscentrale daarin kan spelen."
Wat was de grootste verrassing die uit die gesprekken naar voren kwam?
"De grootste verrassing was de spanning tussen productie en ontwikkeling. Sociaal werkontwikkelbedrijven hebben een dubbele opdracht: medewerkers ontwikkelen, maar tegelijkertijd moet het dagelijkse werk ook doorgaan. Daardoor bleek dat organisaties vaak behoefte hebben aan een actieve en inhoudelijke rol van de Schrijverscentrale. Hoe concreter en 'hapklaarder' een voorstel is, hoe makkelijker het voor hen wordt om een activiteit in te passen. Die spanning had ik vooraf niet verwacht. Bovendien bleek dat de manier waarop organisaties naar ontwikkeling en laaggeletterdheid kijken sterk verschilt."
Waarom denken de organisaties die je sprak dat schrijversbezoeken kunnen werken voor hun medewerkers?
"Respondenten zagen vooral de kracht van verhalen. Een schrijversbezoek biedt ruimte voor herkenning, betekenisgeving, zelfreflectie en ontmoeting. Het gaat dus om veel meer dan alleen taalontwikkeling. De organisaties zagen dat medewerkers via verhalen met elkaar in gesprek kunnen gaan, ervaringen kunnen delen en zich gezien kunnen voelen. Juist die bredere meerwaarde sprak hen aan."
Je concludeert dat taalontwikkeling niet het doel moet zijn, maar dat verhalen centraal moeten staan. Kun je dat uitleggen?
"Iedereen heeft een verhaal. Dat blijkt een veel toegankelijkere ingang dan wanneer je alleen aan taalontwikkeling werkt. Voor veel NT1-laaggeletterden heeft leren of taal nog altijd een negatieve lading door eerdere ervaringen.
Verhalen zijn veel minder spannend. Ze bieden een natuurlijke aanleiding om met elkaar in gesprek te gaan, elkaar beter te leren kennen en ervaringen te delen. Taal is daarbij niet het doel, maar het middel."
Welke eigenschappen maken een schrijver geschikt voor een bezoek aan een sociaal werkontwikkelbedrijf?
"Uit de interviews kwam duidelijk naar voren dat de schrijver affiniteit moet hebben met de doelgroep. Het gaat erom dat iemand contact kan maken met deelnemers en zijn of haar communicatie kan aanpassen aan de mensen die voor zich zitten.
Nieuwsgierigheid, geduld en oprechte interesse zijn daarbij belangrijk. Schrijvers die aansluiten bij de leefwereld van deelnemers kunnen een veilige en toegankelijke sfeer creƫren, waardoor mensen makkelijker meedoen en hun verhaal durven delen."
Hoe kan de Schrijverscentrale volgens jouw onderzoek meer NT1-laaggeletterden bereiken?
"Organisaties staan vaak positief tegenover schrijversbezoeken, maar hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom kan de Schrijverscentrale helpen door concrete formats en voorbeelden aan te bieden. Denk aan schrijvers die duidelijke activiteitvoorbeelden op hun profiel laten zien.
Waar ben je het meest trots op als je terugkijkt op deze scriptie?
"Wat een leuke vraag! Ik ben er allereerst trots op dat het gelukt is om twaalf sociaal werkontwikkelbedrijven uit heel Nederland te spreken. De gesprekken waren ontzettend waardevol en vaak ook erg gezellig.
Daarnaast vond ik het bijzonder om mensen tijdens de interviews kennis te laten maken met de Schrijverscentrale en het idee van schrijversbezoeken. Voor veel respondenten was dat in eerste instantie een ver-van-hun-bed-show, maar tijdens de gesprekken zagen ze steeds meer de waarde ervan. En natuurlijk ben ik er trots op dat het onderzoek nu al leidt tot concrete vervolgstappen en schrijversbezoeken."
Welk moment, gesprek of verhaal uit het onderzoek blijft jou het meest bij?
"Een van de respondenten zei iets dat me is bijgebleven: 'Ik ben ervan overtuigd dat wanneer iemand lekker in zijn vel zit doordat diegene beter kan lezen of rekenen, dat dat uitstraalt op de hele omgeving van die persoon en dat je daardoor een gemotiveerder en meer betrokken medemens en medewerker krijgt.'
Dat vond ik een heel mooie gedachte. Het laat zien dat basisvaardigheden niet alleen gaan over lezen of schrijven, maar ook over zelfvertrouwen, welzijn en meedoen in de samenleving. Dat schrijversbezoeken daar mogelijk aan kunnen bijdragen, maakt dit onderzoek voor mij extra betekenisvol."