Rashid Novaire debuteerde in 1999 met de verhalenbundel Reigers in Cairo waarna hij zes romans schreef waaronder Het lied van de rog, Afkomst en Achtentwintig letters. De roman Zeg maar dat we niet thuis zijn draait om een uitvaartondernemer die een overleden vluchteling terug moet brengen naar zijn geboortegrond in het Midden-Oosten terwijl de man tegen de IND heeft gelogen over zijn identiteit. Ook de dode komt aan het woord. Het is niet in de laatste plaats zijn eigen culturele achtergrond als kind van een Marokkaanse vader en kleinzoon van een Pools-Duitse grootmoeder die in de jaren 30 naar Holland migreerde waardoor Novaire in zijn boeken altijd nieuwe verhalen en culturen onderzoekt, zowel verhaalt over een geloofsrevolutie in het China uit de elfde eeuw voor Christus als de geloofstwisten van een Koerdische familie in een hoekhuis in Diemen-Zuid. Zijn meest recente roman Achtentwintig letters vertelt het verhaal van Jibril van der Woude, een jonge Amsterdammer die in Marokko zijn verdwenen vader zoekt en het verhaal vindt van de Marokkaanse slavernijgeschiedenis van zijn familie. Een verhaal onder meer vertelt door de wind die door tijd en plaats heen waait. Rashid Novaire werd tweemaal genomineerd voor de Libris literatuurprijs.