De lezing van historica Erika Prins gaat over Het Indische licht (Ambo|Anthos, 2024). In dit boek heeft Erika de portretten die Bep Rietveld in Nederlands-Indië tekende, als vertrekpunt genomen voor een kaleidoscopisch verhaal over de koloniale samenleving vanaf haar ontstaan tot kort na de Tweede Wereldoorlog.
Het zijn vooral de kinderportretten die Bep Rietveld tijdens haar verblijf in de Japanse interneringskampen tekende, die zo tot de verbeelding spreken. Met ogen die volgens kunsthistorici de invloed van haar leermeesteres Charley Toorop verraden en die door de context van de geschiedenis, de Tweede Wereldoorlog en de kampen een diepere betekenis hebben gekregen.
In haar lezing neemt Erika Prins haar publiek mee in haar onderzoek (archieven, literatuur, egodocumenten, interviews) naar de levensgeschiedenissen van de geportretteerden en hun families en plaatst deze tegen de historische achtergrond van Nederlands-Indië. Kunnen we erachter komen hoe deze mensen in Nederlands-Indië terechtkwamen? Hoe passen individuele lotgevallen in het grote historische geheel? Waarom vertrok een socialist, bakker uit Arnhem, naar Bandoeng om daar een tweedehandsboekhandel te beginnen. Hoe beleefde een klein jongetje eind augustus 1945 de bevrijding in Kampong Makassar?
Door meer dan vijftig portretten ontstaat een divers beeld van de koloniale samenleving. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoe anders we nu kijken naar deze geschiedenis. ‘Want’ zoals Erika schrijft in de inleiding van Het Indische licht ‘naast feiten en gebeurtenissen is geschiedenis bovenal een kwestie van perspectief. Een perspectief dat verandert in de tijd en afhankelijk is van de blik van degene die kijkt. Hoe zag Bep Rietveld haar geportretteerden, hoe zagen zij zichzelf, hoe zien wij hen nu?